Vooralsnog geen eerherstel voor de Zes van Breda

15|10|2015

Het gerechtshof Den Haag oordeelde op 14 oktober 2015 dat de veroordelingen van de verdachten in de zaak van de Zes van Breda van ruim twintig jaar geleden in stand moeten blijven. Het hof kwam tot die conclusie na een langdurig nieuw onderzoek in de zaak nadat in 2012 de Hoge Raad oordeelde dat de zaak moest worden herzien. De zes veroordeelden leggen zich hier niet bij neer en gaan tegen dit oordeel in cassatie bij de Hoge Raad.

Op 4 juli 1993 werd mevrouw Mok, de vrouw van de eigenaar van een Chinees restaurant in Breda dood in de keuken van het restaurant aangetroffen. Zij was door geweld om het leven gekomen en bovendien was de gokkast in het restaurant opengebroken en leeggehaald. Een eerste politieonderzoek bracht geen verdachte(n) naar voren.

In 1994 werd het onderzoek heropend nadat de politie informatie had ontvangen waarin een aantal van de uiteindelijk veroordeelden werd genoemd als mogelijke daders. Uiteindelijk werden zes verdachten aangehouden, drie mannen en drie vrouwen. De mannen hebben altijd verklaard onschuldig te zijn. De vrouwen zijn uiteindelijk, onder grote druk van de politie, bekentenissen af gaan leggen waarin zij niet alleen zichzelf, maar voornamelijk de drie mannen als schuldigen aanwezen. In 1994 en 1995 werden alle zes de verdachten veroordeeld. De vrouwen kregen gevangenisstraffen tussen de 15 maanden en twee jaar opgelegd. De mannen werden allemaal veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar. Allen hebben hun straf reeds uitgezeten.

Eén van de mannelijke veroordeelden legde zijn zaak na een jarenlange strijd om zijn onschuld aan te tonen, voor aan prof. dr. P.J. van Koppen en zijn Project Gerede Twijfel. Zij concludeerden dat de zes verdachten nooit veroordeeld hadden mogen worden nu de bekennende verklaringen van de vrouwen dusdanig tegenstrijdig waren dat die niet voor het bewijs gebruikt hadden mogen worden. De resultaten werden gepubliceerd in een boek dat werd voorgelegd aan de toegangscommissie van de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS). Op verzoek van de toegangscommissie werd door het Openbaar Ministerie (OM) nieuw forensisch-technisch onderzoek uitgevoerd op de destijds aangetroffen sporen. Het resultaat van dat onderzoek vormde geen ondersteuning voor de in deze zaak uitgesproken veroordelingen van de zes verdachten. Bovendien bleken twee cruciale verklaringen van getuigen die die nacht in een bushokje tegenover het restaurant hadden gezeten en niets bijzonders hadden waargenomen, buiten het dossier te zijn gebleven. Na een uitvoerig onderzoek door de CEAS heeft de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, mr. Aben, op 5 juni 2012 herziening in de zaak gevorderd. Daarnaast is door het Knoops’ innocene project voor één van de veroordeelden eveneens een herzieningsverzoek ingediend. In december 2012 heeft de Hoge Raad die vordering gegrond bevonden en de zaak terugverwezen naar het gerechtshof in Den Haag.

Een nieuw onderzoek waarin tal van (nieuwe) getuigen werden gehoord en waarin deskundigenrapportages met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen en de kwetsbaarheid van de vrouwen destijds uitvoerig werden besproken, ving aan in 2013. Op 7 september 2015 vorderde de advocaat-generaal handhaving van de destijds opgelegde straffen. Volgens het OM was er destijds geen sprake van onterechte veroordelingen.

De verdediging was het daar niet mee eens, op grond van het navolgende. De start van het onderzoek en de aanhouding van de eerste vrouwelijke verdachte was destijds onrechtmatig. Bovendien werd er door de verhoorders aantoonbaar grote druk uitgeoefend op de, destijds zeer kwetsbare, vrouwen, werd hen vals bewijs en, niet uit het dossier te herleiden, informatie voorgehouden waar de anderen over verklaard zouden hebben en werden er zodoende bekentenissen afgedwongen die slechts in grote lijnen op elkaar aansloten, maar die een scenario opleverden dat in werkelijkheid nooit zo zou hebben kunnen plaatsvinden. De deskundigen die in de zaak rapporteerden, bevestigden de kwetsbaarheid van de vrouwen destijds en de vergrote kans op het afleggen van valse verklaringen die dat met zich meebracht. Daarnaast kenden de zes verdachten elkaar ten tijde van de moord nog niet allemaal waardoor het uitermate onwaarschijnlijk is dat zij een dergelijk delict tezamen zouden plegen, is er geen enkel forensisch spoor aangetroffen  dat één van de verdachten verbindt aan de plaats delict of het delict zelf en worden de verklaringen van de getuigen die in het bushokje hadden gezeten, ondersteund door de verklaringen van diverse buurtbewoners die ook geen bijzonderheden hadden opgemerkt die nacht. De verdediging concludeerde dan ook tot vrijspraak voor alle zes de verdachten.

Het hof oordeelde om onbegrijpelijke redenen dat de aanhouding van de eerste vrouwelijke verdachte wel rechtmatig was, dat de verklaringen van de vrouwen voldoende betrouwbaar zijn om mee te wegen in het bewijs en dat deze bovendien in grote lijnen overeenstemmen, dat de afwezigheid van forensisch bewijs geen bewijs is voor de afwezigheid van de verdachten op de plaats delict, dat de veroordeelden elkaar al wel kenden ten tijde van het delict en dat de verklaringen van de getuigen in het bushokje niet onverenigbaar zijn met een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Zodoende concludeerde het hof dat de veroordelingen van de zes verdachten in stand dienen te blijven.

Dit oordeel is voor de veroordeelden onbegrijpelijk en emotioneel heel zwaar. Hun levens worden al meer dan twintig jaar beheerst wordt door deze zaak en al die tijd vechten ze voor eerherstel. Toch blijven zij, met de verdediging, geloven dat gerechtigheid zal volgen en hebben zij direct cassatie aangetekend om hun strijd onverminderd voort te zetten.

Knoops’ innocence project

 

Advocaten en wetenschappelijk medewerker

mr. G.G.J. Knoops

mr. E. Vogelvang

H.K. van den Doel BSc  

Knoops’ advocaten
Concertgebouwplein 25
1071 LM Amsterdam
Telefoon 020 470 51 51